Partijcultuur 1963 - 1971

Partijleider Edzo Toxopeus speelt biljart; Harm van Riel kijkt toe
Partijleider Edzo Toxopeus speelt biljart; Harm van Riel kijkt toe

De gebruikelijke passiviteit bleef de VVD ook in de jaren zestig nog geruime tijd ken­merken. Uit een groot­schalige enqu­ête die het hoofdbestuur in 1965 onder de afde­lingen hield, bleek dat de organisatie vele feilen ver­toonde. ‘Het karak­ter van vele afdelingen is teveel dat van een kiesvereni­ging. Dit be­tekent dat men activiteiten in hoofd­zaak beperkt tot perio­den van kandidaat­stel­lingen en verkiezingen.’ Het ledental, na 1959 teruggevallen tot zo’n 30.000, steeg echter wel tot circa 38.000 in 1970. Het aantal afdelingen groeide eveneens, van 407 in 1960 naar 434 in 1970.

In deze periode werd een voorzichtig begin gemaakt met de professionalisering van de partijorganisatie. Met de instelling van een landelijke propagandacommissie en een Radio- en Televisiecommissie in 1964 kregen de public relations meer aandacht. Ook kwam de kadervor­ming, lange tijd als ‘onliberaal’ beschouwd, van de grond. De verkie­zingscampagne werd op wat meer professionele leest geschoeid. In 1966 introdu­ceerde de partij een nieuwe huisstijl (al bestond die term toen nog niet), die in feite tot op de dag van vandaag is gehandhaafd: de min of meer boven elkaar geplaatste ‘choco­la­deletters’ VVD, uitgevoerd in de nationale kleuren oranje, wit en donkerblauw.Chocoladeletters VVD

Aan het begin van de jaren zestig begon het in de doorgaans zo bedaarde VVD te rommelen. De begin-derti­gers Frits Korthals Altes en Henk Vonhoff namen het voortouw bij de machts­wis­seling, waarbij Pieter Oud als partijleider het veld moest ruimen. In deze onrustige periode diende zich in 1962 met het Liberaal Democratisch Centrum (LDC) een ‘linkse’ oppo­sitie aan, die VVD wilde vernieuwen. Een deel van het Centrum, dat door sommige VVD-leden als ‘crypto-socia­lis­tisch’ werd be­schouwd, stapte in 1966 over naar D66.

Zo kwam de VVD in bewe­ging. Het dagelijks en hoofd­be­stuur kwam vaker bijeen en er kwamen partijcommissies bij. Er werd meer binnen de partij gediscussieerd, en ook feller, zo bleek bijvoorbeeld op de algemene vergadering van 29 en 30 maart 1963, de laatste die voor­zitter Oud leidde. De gemoederen lie­pen hoog op; er was sprake van een ‘stortbui van inter­rup­ties’ . De geest was nu uit de fles: ook op vergade­rin­gen in latere jaren roerden critici zich en wer­den er vele vragen gesteld. De onenig­heid kwam zo op straat te liggen en dat was wen­nen voor de VVD, want kritiek moest eigenlijk binnenskamers blijven.

Al met al was de VVD ‘op explosieve wijze actiever… geworden’, aldus Vonhoff. De betrokkenheid van de leden, afdelingen en commissies bij het uitstippelen van de politieke lijn nam behoorlijk toe. De achterban kreeg op aandringen van het LDC volop de gelegenheid invloed uit te oefenen op het verkiezingspro­gramma. Edzo Toxopeus schreef voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1967 een discussienota, waarop bijna vijfhonderd reacties binnenkwamen. Vier jaar later werden bij het ontwerpprogram meer dan duizend wijzigingen voorgesteld. Op een ‘amende­mentenbeurs’ vond een eerste schifting plaats.

Zo leek de VVD met een georganiseerde oppositie van het LDC en een sterk toegenomen engagement van de leden nog maar wei­nig op de partij uit de jaren vijftig. De ontwikkeling van de VVD van kiesvereniging tot moderne politieke partij zal de oude garde hoogstwaarschijnlijk zwaar zijn ge­vallen.

Wim Keja (links) streed als Amsterdams VVD-politicus voor het behoud van Artis
Wim Keja (links) streed als Amsterdams VVD-politicus voor het behoud van Artis